Turkije’s warme banden met Iran liggen in lijn met Ankara’s omhelzing van Iranese satellieten en proxies als Syrië en Hezbollah. Turkije was de eerste westers-gelieerde staat en lid van de NAVO die de Syrische president Bashar Assad onthaalde op een staatsbezoek nadat het regime van Assad in 2005 de voormalige Libanese premier Rafik Hariri had vermoord. In 2006 schaarde Turkije zich aan de zijde van Hezbollah in de oorlog tegen Israël. Turkije stond zelfs toe dat Iran via Turkije wapens aan Hezbollah leverde.
Dan is er nog de openlijke steun van Turkije aan Hamas. Na de overwinning van Hamas in de Palestijnse parlementsverkiezingen van januari 2006, was Turkije de derde niet-Arabische staat — na Iran en Rusland — die openlijk Hamas in de armen sloot. De in Syrië gestationeerde Hamas-leider Khaled Mashaal bracht een officieel bezoek aan Ankara waar hij een ontmoeting had met de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Abdullah Gul en andere hoge AKP-partij functionarissen, een maand na de overwinning [in Gaza] van zijn door Iran gesponsorde terreur groep.
De steun van de Turkse regering aan Hamas is in lijn met zijn steun aan Al-Qaeda financiers. In de zomer van 2006, steunde Erdogan de donaties van zijn topadviseurs aan de belangrijke Al-Qaeda financier Yasin al-Qadi, nadat het door de media te kijk was gezet. En sinds hun ambtsaanvaarding, hebben Erdogan, Gul en zijn AKP collega’s Israël en de VS herhaaldelijk ervan beschuldigd een genocide te plegen tegen moslims in Gaza, Libanon en Irak.
Terwijl zowel de VS als Israël hun ongenoegen hebben geuit over de omarming door Turkije van hun vijanden, heeft geen van beide landen welke maatregel dan ook genomen om ofwel Ankara in diskrediet te brengen, ofwel afstand te nemen van de Turkse regering. Integendeel, zowel Israël als de VS blijven maar hun lof zwaaien over Turkije als strategisch bondgenoot. Beiden benadrukken dat onder het AKP bewind Turkije laat zien dat het mogelijk is om zowel islamitisch fundamentalistisch te zijn als prowesters. En beiden faciliteren zij Turkije, en moedigen zij het zelfs aan, om als tussenpersoon te fungeren tussen hen en hun gezworen vijanden.
In het geval van Israël, heeft Turkije bemiddeld in de de onderhandelingen van de regering Olmert-Livni-Barak met Syrië. En in het geval van de VS, lijkt het erop dat Turkije een bemiddelende rol heeft gespeeld tussen Washington en Teheran: Op 17 juli 2008, brachten zowel de Amerikaanse National Security Advisor Steven Hadley en de Iranese minister van Buitenlandse Zaken Manoucher Mouttaki “toevallig” op dezelfde dag een bezoek aan Ankara. Twee dagen later had de Amerikaanse viceminister van Buitenlandse Zaken William Burns in Genève een ontmoeting met de nucleaire onderhandelaar Saeed Jalili van Iran.
In beide gevallen is het verre van duidelijk of Israël of de VS eigenlijk wel hebben geprofiteerd van de steeds prominentere rol die Turkije in hun buitenlandse beleid inneemt. In feite hebben zowel Israël als de VS hun positie verzwakt door Turkije te laten dienen als een bemiddelaar tussen henzelf en hun tegenstanders.
In geval van Syrië, zoals duidelijk bleek uit het bezoek naderhand van Assad aan Teheran, was de poging van Israël om de onderhandelingen met Syrië te gebruiken om Damascus los te weken uit zijn strategische alliantie met Teheran, mislukt. Tot op heden is het enige wat het besluit heeft opgeleverd om indirecte onderhandelingen met Syrië te houden in Turkije, het einde van het isolement van Syrië door het Westen.
Zoals voor Iran, had het besluit van de regering Bush om Turkije toe te staan te bemiddelen tussen de VS en de ayatollahs, Turkije aantoonbaar aangemoedigd om de Iranese olie-deal door te zetten. Bovenal had Turkije’s succes in het overtuigen van de Amerikanen om actief de diplomatie voort te zetten met de Iraniërs, de weg vrijgemaakt voor de vernedering van de VS in Genève in 2008. Tijdens die bijeenkomst deed Jalili geen enkele poging om een overeenkomst te bereiken met de VS en haar partners. En door zich bij de Europeanen en de Russen aan te sluiten in directe onderhandelingen met Iran, faciliteerde de VS de aankondiging door de Russen dat het geen reden zag voor extra sancties van de VN-veiligheidsraad tegen Iran wegens zijn falen in het tijdelijk opschorten van zijn uraniumverrijkingsactiviteiten.
Net als Rusland onder Poetin, heeft Turkije onder leiding van Erdogan de snelle transformatie weten te maskeren van een gebrekkige, maar prowesterse democratie naar een antiwesters — en in het geval van Turkije: islamitisch — regime, dat slechts lippendiensten bewijst aan het Westen, zelfs ondanks het feit dat het stappen heeft ondernomen om de machtsstructuur te zuiveren van bepleiters van een prowesterse politiek. Net als de regering van Poetin, heeft ook het gekozen islamitische fundamentalistisch regime van Erdogan gestaag gewerkt aan het in diskrediet brengen, criminaliseren en intimideren van zijn prowesterse rivalen.
Sinds zijn aantreden in 2002 heeft de AKP onder Erdogan de controle overgenomen over de bureaucratie van Turkije. Het heeft de rechten van vrouwen verzwakt en brutale campagnes tegen zijn vijanden in de media ondernomen, tv-stations overgenomen, de oppositie opgepakt en anti-islamitische redacteuren en verslaggevers geïntimideerd. Het heeft de Turkse geheime politie en reguliere politie overgenomen en de Turkse rechtbanken volgestopt met haar loyalisten. Het heeft radicale islamitische madrassa’s geopend en is doorgedrongen in het leger en daar het seniore officierskader gedemoraliseerd en geïntimideerd en gerechtelijke uitspraken hiertegen genegeerd.
Middels de politie, heeft de regering Erdogan het startsein gegeven voor het massaal aftappen van telefoongesprekken van zijn politieke tegenstanders en heeft het gênante transcripties van deze telefoongesprekken laten lekken naar de AKP-loyale pers om de politieke rivalen te vernederen en te intimideren. Het heeft gebruik gemaakt van telefoontaps van oppositionele journalisten in politieverhoren van hun redacteuren.
De enige resterende seculiere controle van de regering Erdogan is het Grondwettelijk Hof van Turkije. In 2008 heeft de rechtbank ternauwernood het kort geding van de officier van justitie afgewezen waarin werd gepleit voor een verbod op de AKP partij op grond van het feit dat het ernaar streeft de seculiere constitutionele orde in Turkije omver te werpen. In hun oordeel waren tien van de elf rechters het erover eens dat de AKP streeft naar het verzwakken van de seculiere identiteit van Turkije en dat het geen overheidssubsidie zou moeten krijgen.
In een kennelijke poging om zowel het publiek van de rechtszaak af te leiden en om haar tegenstanders verder te delegitimiseren, stelde de AKP regering dat het een samenzwering van oppositionele, hooggeplaatste ambtenaren had blootgelegd, met inbegrip van vooraanstaande journalisten, zakenmensen en generaals: het zogenaamde Ergenekon complot om de regering omver te werpen. Het beweert dat het merendeel van de terroristische aanslagen die in de afgelopen jaren door islamitische terroristen waren uitgevoerd, daadwerkelijk werden uitgevoerd door leden van deze “secularistische kliek”. Niet lang daarna arresteerde de politie twee gepensioneerde generaals, een prominente industrieel en een gerespecteerd journalist, samen met zeventien anderen in de vervolging van dat “complot”.
In dit alles, spiegelen Erdogan en zijn medestanders zich uiteraard aan de acties van Poetin in Rusland sinds deze in 2000 was aangetreden. Net als Poetin, verving de de AKP een corrupte, impopulaire prowesterse regering. Terwijl Poetin zijn populariteit op xenofobie en haat tegen het Westen heeft gebouwd, hebben Erdogan en de AKP hun populariteit gebouwd op de afwijzing van het seculiere Turkse nationalisme ten gunste van het panislamisme en haat tegen de VS en Israël. En terwijl zij hun landen van het Westen afkeren, zijn zowel Poetin als Erdogan erin geslaagd om goede relaties met Washington te houden door mee te bewegen met de ondersteuning van de oorlog door de VS tegen terreur, ondanks dat zij zowel terroristen omarmen als hun staatssponsoren.
De les die uit dit alles voorvloeit is dat niet dat Israël en de VS hun rug moeten keren naar Turkije. In een internationale omgeving die steeds vijandiger tegenover liberale democratieën staat, is er geen reden om de banden te verbreken met vijandige regimes, enkel omdat ze vijandig zijn. Maar tegelijkertijd, moeten noch de VS noch Israël zich illusies maken met te denken dat Turkije hun strategische bondgenoot zal blijven. Want dat zal het niet. En aan dit feit zijn consequenties verbonden.
Voor de VS — naast het onmiddellijk beëindigen van de rol van Turkije als tussenpersoon met Iran — zou het zinvol zijn om de notie op te laten komen van het verwijderen van Turkije uit de NAVO wegens zijn banden met Iran. Alleen al de suggestie van een dergelijke stap zou ongetwijfeld een diepgaand effect op de Turken hebben. Maar zeker, de VS zou de hand moeten reiken naar opponenten van dat regime en er bij Erdogan en zijn medestanders op moeten aandringen om hun pogingen te beëindigen in het onderdrukken van de anti-islamitische en seculiere media, politici, zakenlieden en militaire commandanten.
Als de VS zich zorgen maakt over het aanwakkeren van Turkse sentimenten tegen hen door dergelijke stappen, zou het zich moeten realiseren dat sinds Erdogan aan de macht is, en de VS zich in alle bochten heeft gewrongen om hem te gerieven, de anti-Amerikaanse sentimenten in Turkije enorm zijn toegenomen. Volgens een opiniepeiling van Pew international, vertegenwoordigen de Turken van vandaag de meest anti-Amerikaanse samenleving ter wereld.
Van haar kant zou Israël haar bereidheid om gevoelige militair materieel aan Turkije te verkopen moeten heroverwegen, gezien de nauwe banden van Turkije met de vijanden van Israël. Het zou zeker moeten ophouden met zijn door de Turkije-gemedieerde besprekingen met Syrië, en het Turkse aanbod om te bemiddelen tussen Israël en de Palestijnen moeten afwijzen.
Net als Rusland, promoot Turkije’s antiwesterse regime zich naar het Westen toe door te doen alsof niet antiwesters is. En zoals het geval was met Rusland tot het besloot om het weerloze Georgië binnen te vallen, hebben de VS en haar bondgenoten zich bereid getoond om hun strategische belangen op het spel te zetten door in deze leugen te geloven.
Het is te hopen dat het Westen dit beleid zal verlaten, voordat zij per ongeluk de weg vrijmaakt voor een nieuwe aan Iraan gelieerde-as van het kwaad, bestaande uit zoiets als Rusland, Turkije en Pakistan. Al deze regeringen hebben veel van hun macht te danken aan de bereidheid van het Westen om te geloven dat hun anti-westerse regimes als strategische bondgenoten kunnen worden vertrouwd, tot het te laat was.
Dit is een vertaling van Turkey’s abandonment of the West door Caroline Glick, journalist en adjunct-hoofdredacteur van de Jerusalem Post, Senior Fellow van het Midden-Oosten Bureau van de in Washington DC gevestigde Center for Security Policy.
Bron: International Civil Liberties Alliance
!